Vaardigheden en ontwikkeling

De volgende ontwikkelingsgebieden komen in de thema's aan bod:

Cognitieve ontwikkeling:
De cognitieve ontwikkeling (verstandelijke ontwikkeling) omvat alles op het gebied van geheugen en leren, zoals:denken, verbanden leggen, logisch redeneren, waarnemen, geheugen en taalbegrip: het begrijpen van de taal enz…. Bijvoorbeeld: puzzelen, denkspelletjes zoals memorie en doolhoven en sorteerwerkjes. In de themaboeken worden speel-en oefenwerkjes aangeboden die de cognitieve ontwikkeling stimuleren. Ook de knutselwerkjes, sport-en spelactiviteiten en woordkaarten zijn gebaseerd op deze ontwikkeling.

Spaak-en taalontwikkeling:
De taalontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling zijn nauw met elkaar verweven. Taal is een middel om gedachten en gevoelens onder woorden te brengen, waardoor kinderen de blik op de wereld kunnen vergroten.
Doordat het kind taal gaat hanteren, krijgt het meer besef van verschijnselen en gebeurtenissen om hem heen. Het kind leert de wereld van gedachten, voorstellingen en begrippen te ordenen en te uiten. Het kind leert dat alles in woorden kan worden gezegd en dat het d.m.v. taal met anderen, kan communiceren. In de themaboeken zijn woordkaarten en titels van voorleesboeken aanwezig die o.a. de taalontwikkling stimuleren. Ook leren de kinderen taal door te praten, in interactie met elkaar en met volwassenen. De volwassenen stelt open vragen waardoor het kind wordt uitgedaagd tot spreken.

Motorische en zintuiglijke ontwikkeling:
Onder motoriek verstaan we het bewegen van de mens. We maken onderscheid tussen de grove en fijne motoriek:

•grove motoriek
Het kind voert grofmotorische taken uit, zoals:aankleden, fietsen, gooien, klimmen en rennen.

•fijne motoriek:
De fijne motoriek zijn kleinere bewegingen die de hand-oog-coördinatie stimuleert, zoals: prikken, knippen, puzzelen, tekenen en verven. In de themaboeken wordt de motorische en zintuiglijke ontwikkeling gestimuleerd door oa sport-en spelactiviteiten, zang-en dansactiviteiten, knutselactiviteiten en het kleuren van kleurplaten.

Sociaal-emotionele ontwikkeling:
De sociale en emotionele ontwikkeling heeft betrekking op de ontwikkeling van het omgaan met andere en het omgaan met eigen emoties. Zo kan het kind contacten leggen en relaties onderhouden. De sociale vaardigheden worden gestimuleerd door bijvoorbeeld: rollenspellen, delen, rekening houden met anderen, houden aan regels, op hun beurt te wachten, samen spelen en nog veel meer. Om dat te kunnen, moeten kinderen leren om hun eigen gevoelens en de gevoelens van anderen te zien, te begrijpen en ermee om te gaan. Omdat de thema's aansluiten op de belevingswereld van het kind, voelt hij zich veilig en vertrouwd. Vanuit die veiligheid wordt de sociaal-emotionele ontwikkeling nog beter gestimuleerd. Zo leert hij oa zichzelf en andere te vertrouwen, samen te zijn, waarden en normen, keuzes te maken en weerbaarheid. De sociaal-emotionele ontwikkeling staat centraal in de thema's. Het is belangrijk dat u als professional, de kinderen hierin begeleidt en stimuleert. In alle activiteiten zie je deze ontwikkeling terug.


 

Rekenprikkels:
Onbewust zijn kinderen de hele dag bezig met rekenprikkels. Denk maar eens aan de dagindeling: eerst plassen, dan handen wassen, eerst schoenen aan, dan naar buiten. Spelenderwijs ontdekken ze de wereld om zich heen en bouwen ze tegelijkertijd hun eigen wereld. Ze leren analyseren, tellen, ordenen, combineren, construeren en structureren. In onze thema's maken we gebruik van activiteiten die de rekenprikkels van de kinderen stimuleren.
Hierbij kunt u denken aan:

•stapelen (bijvoorbeeld blokken)
•sorteren (bijvoorbeeld op kleur)
•groot en klein (bijvoorbeeld ballonnen)
•kort en lang (bijvoorbeeld neerleggen van sjaals)
•koken en bakken dmv recepten
•liedjes zingen met gebaren (bijvoorbeeld "een hele grote olifant" "een hele kleine olifant")
•overeenkomsten
•doolhoven
•telspelletjes
•....


DE MOTORISCHE ONTWIKKELING VAN 0 TOT 1 JAAR:

Een baby van 1 maand kan:

  • zijn hoofd even van de onderlaag optillen
  • een voorwerp vluchtig met de ogen volgen
  • als jij jouw vinger aangeeft met zijn handje jouw vinger grijpen (grijpreflex)
  • het hoofdje soms opheffen, maar laat dan heel snel het hoofdje naar voren op de borst zakken nog voornamelijk ongecontroleerde bewegingen maken

Een baby van 2 maanden kan:

  • de handjes in rust steeds vaker geopend houden
  • in rugligging heftig trappelen met de benen en spartelen met de armen, min of meer onbewust in buikligging het hoofdje heel kort maximaal 45 graden ten opzichte van de onderlaag opheffen
  • een voorwerp goed tot aan het midden van het lichaam met hoofd en ogen volgen
  • zijn hoofd laten zakken op de borst en dan gelijk weer zijn hoofdje opheffen

Een baby van 3 maanden kan:

  • af en toe draaien van de zij op de rug
  • de handjes in rust geopend houden
  • met ondersteuning één minuut zitten (lang zitten is nog niet goed voor jouw baby)
  • steeds vaker bewust heftig trappelen met de benen en spartelen met de armen

Een baby van 4 maanden kan:

  • draaien van de zij op de rug
  • steeds beter het hoofd stabiel houden
  • het hoofd 90 graden ten opzichte van de onderlaag opheffen in buikligging goed recht vooruit kijken
  • de handjes regelmatig openen en sluiten
  • bewust trappelen, beide benen gelijktijdig of om en om (alternerend)
  • een deel van zijn gewicht dragen, maar zakt nog flink door de heupen en knieën bij het neerzetten op de voeten


Een baby van 5 maanden kan:

  • zitten in een kinderstoel met steun in de rug
  • in rugligging spontaan het hoofd optillen (voorloper van het zitten)
  • in buikligging naar een voorwerp grijpen
  • in buikligging steunen op een elleboog en de hoofdbalans van jouw baby is in buikligging goed ontwikkeld in lig draaien van de rug naar de zij
  • zijn gewicht beter dragen als hij rechtop wordt gezet en zakt hierbij niet meer door de knieën

Een baby van 6 maanden kan:

  • in rugligging uitgebreid met de voetjes spelen
  • zich in lig op beide zijden draaien
  • zich proberen op te gaan trekken tot een zitpositie
  • kan indien vastgehouden staan en hierbij enkele loopbewegingen maken (benen nog iets gebogen in heup en knie)
  • een blokje met de hele hand grijpen en hiervoor zijn gehele hand gebruiken, de duim speelt hierbij nog geen enkele rol (palmaire greep)
  • met al zijn vingers over (kleine) voorwerpen harken

Een baby van 7 maanden kan:

  • voorwaarts op de handen leunen
  • stabiel zitten met steun
  • steun staan (met gestrekte heupen en knieën)
  • ‘springen’ van plezier
  • in rugligging om en om trappelen
  • in buikligging de handen afwisselend bewegen, alsof jouw baby zich vooruit wil trekken (maar hij komt nog niet vooruit)
  • blokje oppakken met zijn hele hand (palmaire greep)
  • een knikker volgen met de ogen
  • in buikligging zijn hand gespreid op de onderlaag als steunpunt gebruiken
  • in buikligging zijn hoofd vrijelijk in alle richtingen draaien

Een baby van 8 maanden kan:

  • gedurende één minuut los zitten (zonder steun van de armen)
  • met rechte rug en gestrekte benen en heeft hierbij een actieve balans
  • niet uit zichzelf weer gaan zitten als hij achterover is gevallen
  • in buikligging zijn armen benen om en om gecoördineerd bewegen. Jouw baby kan hierdoor om zijn middelpunt draaien.
  • kan nu een blokje pakken tussen wijsvinger en duim (de schaargreep)
  • in buiklig draaien op de rug en in ruglig draaien op de buik

Een baby van 9 maanden kan:

  • langer dan 10 minuten los zitten en de benen zijn bij het zitten minder gespreid
  • speelgoed pakken en weer rechtop gaan zitten
  • zich vanuit rugligging direct optrekken tot in zitpositie
  • zich in buikligging aan de handen vooruit trekken en met de voeten afzettenen (tijgeren)
  • indien hij wordt neergezet in stand zich aan iets vasthouden (tafelpoot)
  • een bal die naar hem wordt gerold oppakken
  • speelgoed van zijn ene hand doorgeven aan zijn andere hand
  • kan nu het blokje tussen de eindkootjes van wijs-, middelvinger en duim vasthouden (primitieve pincetgreep)
  • in de richting van een knikker wijzen en kan deze ook tussen duim en wijs- of middelvinger oppakken

Een baby van 10 maanden kan:

  • zicht opheffen zodat de buik vrij komt en hierbij steunen op handen en knieën. Eerst zal jouw baby nog niet vooruit komen, maar meer wippende bewegingen maken. Vrij snel zal jouw kind gaan kruipen!
  • zitten zonder steun
  • zelf gaan zitten door op zijn buik te rollen of zicht aan iets op te trekken, soms gaat hij eerst staan en van daaruit zitten
  • zich optrekken tot staan (rug is helemaal recht bij staan)
  • laat voorwerpen (speelgoed) los zonder controle
  • wijst in de richting van voorwerpen
  • nu een blokje pakken tussen gehele wijsvinger en duim (de schaargreep) en/of tussen de eindkootjes van wijsvinger, middelvinger en duim (primitieve pincetgreep)

Een baby van 11 maanden kan:

  • steeds beter kruipen, soms met een voet plat op de onderlaag (een zachte onderlaag stimuleert het kruipen!)
  • zijdelings lopen in de box (een voet naar de andere toe trekken en gelijktijdig verplaatsen van de handen op de boxrand)
  • kan een blokje tussen de eindkootjes van duim en wijsvinger oppakken (pincetgreep)

Een baby van 12 maanden kan:

  • tijdens het zitten om zijn verticale as draaien (pivoteren)
  • op handen en voeten lopen zonder de knieën te gebruiken (olifantenloop)
  • voorzichtig zelfstandig of aan de hand van een volwassenen lopen
  • vanaf nu op min of meer volwassen manier een stuk brood, pen, rozijn of andere kleine voorwerpen oppakken
  • een toren van twee blokken bouwen
  • een potlood in zijn vuistje vasthouden
  • helpen bij het omslaan van bladzijden in een boek

Peuteractiviteitenweb beschikt over meer dan 45 thema's. Er zit vast een thema voor je bij.

  • Peuteractiviteitenweb

Sensorisch en Educatief Speelmateriaal...

PeuteractiviteitenKrant

Meld u aan voor onze krant
Aanmelden

Aanbieding

Geometrische Vormen 12dlg. € 38,50 € 35,00
© 2014 - 2020 Peuteractiviteitenweb | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel